Toen ik die ochtend twee panty’s stuktrok tijdens het aankleden, wist ik het al…het wordt zo’n dag.

Het is midden in de lunchpiek. De zaak zit vol, de keuken staat strak van de bonnen, de koffiehoek dampt als een malle, de afwas klettert de spoelhoek in en Clau en ik rennen als twee dolle tolletjes met volle dienbladen door de zaak, nemen bestellingen op, lichten de gerechten toe, vegen volle tafels leeg en zetten ze weer vol. Een heerlijke, geoliede zaterdagmiddag met alles op rolletjes en iedereen on top of her kunnen!

Tot ik twee glazen bij Nikkie in de koffiehoek zie staan. Als ik even later weer langs ren, staan nog ze er nog steeds. En een even later nog altijd. Met water erin en een lange roerlepel, maar verder niks. En dan hoor ik Nikkie boven het gesis van de stoompijpjes uit knetteren: “Waar is die godvergeten gember nou?”

Eerder deze week heb ik een enorme zak gember beneden op de blauwe kast zien liggen.

“Op de blauwe kast!” roep ik in het voorbijgaan.
“Ik heb vanochtend gember bij je neergelegd” roept Clau tussen het uitlopen van de borden door.
De keuken blijft stil. Emma en Deen zijn te druk.

Nikkie antwoordt op alles tegelijk. De gember die in ochtend was klaargelegd is al lang en breed op en ja, de nieuwe zak met gember – en ja….hij moest er echt zijn – is voor het laatst op de blauwe kast beneden gezien MAAR DAAR LIGT ‘IE NIET MEER en is ook nergens te bekennen dus wie de @%#! heeft de zak met gember gezien of gepakt of nog belangrijker: Wie gaat ‘m heel snel vinden want de glazen voor de gemberthee staan al even klaar en het water is alweer afgekoeld en de gasten wachten veel te lang en poepiedekakkieshittiedefuckie waar de @%#! is die @%#! zak met gember?!?!

Jaja, het is zo’n dag.

Dus ik ren naar de tafel die de gemberthee besteld heeft en leg de situatie kort uit. Wat dus neerkomt op: ‘Lieve dames, jullie hadden daarnet een lekker gembertheetje besteld, maar onze gember is zoek. Als in: Pleite. Een hele zak…een flinke ook. Niet te missen. Maar toch pleite. We doen ons uiterste best…we zoeken ons rot…maar we kunnen ‘m even niet vinden. Sorry, sorry, duizend maal excuses. Nog een klein ogenblikje, we zoeken ons rot en we gaan ‘m vinden want hij MOET er zijn, we hebben `m allemaal gezien…heel recent nog. Maar nu kunnen we ‘m even niet vinden. Maar we zijn aan het zoeken…met het hele team…dus de thee komt eraan hoor…we kunnen alleen de gember dus heel even niet vinden.’

De dames kijken mij aan en barsten in lachen uit. Ook aan een naburige tafel klinkt geproest. Ook daar is gemberthee besteld en ook daar hebben ze mijn verhaal gehoord.

Gelukkig…er wordt op z’n minst nog gelachen.

Ik laat alles vallen en ren naar beneden waar ik Clau’s benen uit de vriezer zie bungelen.
“Wat doe jij nou?!”
“Gember zoeken! En jij?”
“In de VRIEZER?!”
“Ja, weet ik veel…die zak kan overal zijn. Ik heb zelfs in iedereen z’n tas gekeken.”
Ik had in mijn broek gepiest als zou blijken dat iemand de zak met gember per ongeluk aan het achterover drukken was. Met ons weet je het maar nooit.
Dat was echter niet het geval, dus mijn broek bleef droog….dat was dan weer een meevaller.

Na even samen rondgekeken te hebben kwamen wij tot dezelfde conclusie: Geen gember. Dus wij weer naar boven. Clau de zaak in en ik naar Nikkie met een hoopvolle blik op haar werkblad gericht. De glazen met water en roerstaaf en zonder gember staan er echter nog steeds. Nikkie kan toveren, maar het is haar dit keer niet gelukt om een gemberboom uit de koffiemolen te vissen. We waren nog geen steek verder.

Gelukkig zit de Albert Heijn om de hoek. Dus ik ren weer naar beneden (stiekem in de hoop dit keer ineens tegen de zak met gember aan te lopen), grijp de pinpas en ren naar buiten. Het regent kat en hond. De straat is glad, mijn schoenen zijn glad en mijn benen gaan in spagaat. Die ochtend had ik niet gestretcht. Had ik mij wel voorgenomen, maar niet gedaan natuurlijk. Spijtig.

In de Ap ren ik als bezeten naar de gember. Afstand houden natuurlijk…dus dansend van de zenuwen even wachten tot iedereen op het gemakje bij het groenteschap is uitgeshopt. Met beide handen duik ik in de gemberbak en ren zigzaggen tussen het winkelend publiek door met de trofeeën naar de kassa waar net een mevrouw en haar dochtertje hun boodschappen op de loopband leggen.

‘’Mama, mama, mag ik betalen?’
“Ja, maar niet treuzelen want de mevrouw achter je heeft een beetje haast…’”

Dankjewel lieve mensen!

Met de gember stevig tegen mij aan geklemd (en mijn benen weer glijdend in spagaat) ren ik terug naar de Sun waar ik de gember naar Nikkie katapulteer en met een verse lading excuses alsnog de (jaja, natuurlijk vers gemaakte) gemberthee naar de gasten breng. Iedereen moet nog altijd heel hard lachen.

“Gevonden?” vragen de dames terwijl ze nog een beetje grinniken. Als ik mijn eigen hoofd had gezien, had ik waarschijnlijk ook volop lol gehad.

Ik heb maar eerlijk opgebiecht dat ik even naar de buren ben gerend. Door de regen. En dat ik bijna op mijn bek gegaan ben. En nieuw lachsalvo stijgt op. Ja, geef ze eens ongelijk.

Die middag, vele uren later, sta ik weer beneden aan een tafel met een meisje te kletsen als ik vanuit mijn ooghoek een zak met gember op een plank van onze giftshop zie liggen.